Jaren ’90 – Ontwikkelen vanuit de database
ROTSVAST VERTROUWEN
in een deugdelijke back-end (tegen de trend in)
Als je oude foto’s ziet van kantoren kun je vaak aan de IT-apparatuur zien in welk tijdperk die foto is genomen. Staan er veel tablets, smartphones en MacBooks op, dan is het waarschijnlijk een recente foto. Een grote mainframe-computer? Jaren tachtig. PC’s met van die enorme diepe beeldschermen? Grote kans dat de foto in de jaren negentig is gemaakt.

De introductie van die PC op de werkplek in de jaren negentig is waarschijnlijk de grootste stap die er is gemaakt in de geschiedenis van de kantoorautomatisering. Voor die tijd maakten bedrijven nog gebruik van mainframes en grote servers die draaiden op zogeheten monolithische applicaties: geen losse programma’s voor verschillende functionaliteiten, maar één geheel dat op één server draaide.

De opkomst van de PC bracht nieuwe mogelijkheden met zich mee, die ook wel client/server-architectuur werd genoemd. Een gedeelte van applicaties werd ondergebracht op de centrale server, een ander deel op de PC. Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen drie lagen: de presentatielaag (dat wat je zag als gebruiker), de applicatielaag (de functionaliteit) en de gegevenslaag (het beheer van de data).

In deze periode (de eerste helft van de jaren negentig) was Info Support op ontwikkelgebied een beetje als het dorpje van Asterix en Obelix: een bastion met een rotsvast vertrouwen in een andere manier van softwareontwikkeling dan toen gangbaar was. Waar veel bedrijven zweerden bij 4GL, met de nadruk op de presentatielaag, geloofde Info Support meer in een aanpak waarbij de focus lag op de integriteit van de data.

Henk van der Pol, destijds projectleider bij Info Support, weet het nog goed: “Het kwam toen regelmatig voor dat wij werden ingeschakeld om de database-laag in te richten op het moment dat de presentatielaag al helemaal was ontwikkeld en dat toen bleek dat alles opnieuw moest, omdat na controle de data niet deugde.”